P.C. Hooftprijs voor Abram de Swaan

Op 22 mei 2008 is in het Letterkundig Museum in Den Haag de P.C.Hooft-prijs, dit jaar bestemd voor het essay, uitgereikt aan socioloog Abram de Swaan (de foto is gemaakt door Marco Bakker). Abram de Swaan (1942), die politicologie aan de UvA en de Amerikaanse universiteiten Yale en Berkeley studeerde, debuteerde in 1968 met Amerika in termijnen; een ademloos verslag uit de USA. Daarna volgden o.m. Zorg en de staat (1989), dat in vier talen vertaald werd, Woorden van de wereld; het mondiale talenstelsel (2002) en dit jaar een bundel opstellen over massaal geweld, Bakens in niemandsland. In 1973 promoveerde hij cum laude op het onderwerp coalitievorming. Hetzelfde jaar werd hij lector, enkele jaren later hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en in 2002 Universiteitshoogleraar Sociale Wetenschap (tot 2007). Ook heeft hij verschillende gasthoogleraarschappen aan buitenlandse universiteiten bekleed. Hij was redactielid van het studentenblad Propria Cures en van 1969 tot 1991 redacteur van het algemeen cultureel maandblad De Gids. Voor NRC Handelsblad schreef De Swaan wekelijks korte stukken die in een drietal bundels zijn verzameld. In 1999 verscheen een bloemlezing uit zijn publicaties, De draagbare De Swaan.

Bekijk hier ons internetaanbod tweedehands boeken van Abram de Swaan


Juryrapport

Onze samenleving lijkt verslaafd aan meningen en opiniepeilingen, maar het essay leidt een nogal verborgen bestaan. Nieuwe romans liggen in de boekwinkel plat op tafel te glimmen, dichtbundels staan overzichtelijk bij elkaar in een kast, essays daarentegen hebben niet eens een eigen plankje. Waar laten de boekhandelaren de essaybundels? Het hangt er maar van af. Is de bundel van een auteur van naam en faam, dan wordt het werk bij de literatuur gezet. Heeft de auteur niet voldoende literaire statuur, dan wordt de bundel verwezen naar de kasten non-fictie tussen de historische studies, de biografieën, de psychologische zelfhulpgidsen, de politieke beschouwingen of de aanbevelingen voor het management. Een boek van Maarten ’t Hart over Bach ligt breeduit op de literatuurtafel. Een boek over klassieke muziek van bijvoorbeeld Elmer Schönberger komt met een beetje pech in de flinterdunne supergespecialiseerde sectie musicologie terecht, waar hooguit vakmensen het zullen opmerken. Elke essayist ziet zijn werk graag plat op de tafel van de literatuur. Dat is de tafel die er echt toe doet. Daar laat elke boekwinkelbezoeker zijn ogen tenminste een paar minuten overheen dwalen. Dat het essay geen vaste plaats in de boekhandel heeft, hangt samen met de omstandigheid dat het niet meer het exclusieve terrein van de literaire schrijver is. De essayisten zitten zo langzamerhand overal.
Abram de Swaan heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. Een oeuvre met bijzondere literaire kwaliteiten.

lees het hele juryrapport op www.pchooftprijs.nl


Dankwoord Abram de Swaan

Essay over het essay

Dames en Heren,

Op een laureaat rust de zware verantwoordelijkheid om van zijn onderscheiding te genieten. Het zou toch zonde zijn als die ene uitverkorene er niet op zijn minst plezier aan zou beleven. Maar om dat genoegen voluit te kunnen smaken is innerlijke gevoelsarbeid nodig en sociaal werk aan reputaties en relaties. Zoals dit. De angst om afgunst te wekken dient terzijde geschoven te worden, althans tijdelijk. En ook de vrees om onbescheiden te lijken moet opzij gezet.
Als dit een wetenschappelijke voordracht was zou hier verwezen worden naar een enquête of een laboratoriumexperiment onder prijswinnaars. Die proefpersonen zouden naamloos blijven omdat de clou van zulke onderzoekingen nu juist is dat ze niet afhangen van die bijzondere individuen, maar dat ze iets van de algemeen menselijke gesteldheid tonen.
Als dit een essay was, en dat kan het nog worden, dan was ik niet zo onpersoonlijk met ‘een laureaat’ begonnen, dan had ik gewoon gezegd dat ík het een hele opgave vond en vervolgens geprobeerd om mijn publiek ervan te overtuigen dat het mij inderdaad gelukt was om aan mijn onderscheiding plezier te beleven. Want dat is het geval.

lees het hele dankwoord op www.pchooftprijs.nl



Feestrede door Michaël Zeeman

Altijd op zoek naar een houding
Dit is de zin die je het vaakst over Abram de Swaan, zijn werk en zijn werkwijze leest: ‘De Swaan kijkt over de grenzen van zijn vakgebied heen.’ Hij komt voor in besprekingen van zijn boeken, in opstellen over en verwijzingen naar zijn werk en in de beschrijvende delen van vraaggesprekken met hem. Ik neem geen risico met de voorspelling dat die zin te gelegener tijd ook in al zijn necrologieën zal staan.
Als je hem drie keer gelezen hebt, verandert hij voor het innerlijk oog onwillekeurig van een bewering in een cliché en na nog drie keer van een cliché in een filmpje. De verveelde geest wil immers althans zichzelf amuseren.

lees de hele tekst op www.pchooftprijs.nl


Over de P.C. Hooft-prijs
De P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde behoort tot de belangrijkste literatuurprijzen in het Nederlandse taalgebied. Deze oeuvreprijs wordt jaarlijks afwisselend toegekend voor proza, essayistiek en poëzie. De P.C. Hooft-prijs is ingesteld in 1947. In dat jaar werd op 21 mei de 300ste sterfdag van geschiedkundige, dichter en toneelschrijver Pieter Corneliszoon Hooft (Amsterdam 16 maart 1581 – Den Haag, 21 mei 1647) herdacht. De prijs wordt jaarlijks toegekend en rond de sterfdag van P.C. Hooft uitgereikt. Tot 1955 werd de prijs toegekend voor losse werken. Daarna werd het een oeuvreprijs.

Eerdere winnaars - een selectie
In 2007 kreeg Jacob Martinus Arend (Maarten) Biesheuvel de P.C. Hooft-prijs voor verhalend proza.
Uit het juryrapport: "Een van de bijzondere attracties van het werk van J. M. A. Biesheuvel is dat de auteur aan het begin van een verhaal geen voorsprong op de lezer lijkt te hebben. Er is geen kaartsysteem aangelegd op basis van uitvoerig veldwerk en documentair onderzoek, waarmee de auteur ons direct al imponeert, om vervolgens de troeven van zijn overmacht een voor een uit te serveren. Een typisch Biesheuvel-verhaal begint juist met een eenvoudig tafereel: een man in een kamer, een man op het achterdek van een schip, een man in zijn auto op weg naar Bemelen, een jongetje dat alleen thuis is, enzovoort. De hoofdpersoon wordt als het ware voor de ogen van de lezer geboren, ter plekke, met een nieuwe wereld om zich heen en alle herinneringen in zijn hoofd. En wat die hoofdpersoon vervolgens ondergaat lijkt aanvankelijk heel herkenbaar."
Vanaf zijn debuut heeft hij zich laten inspireren door zijn eigen leven: zijn gereformeerde opvoeding, zijn zeereizen als ketelbink en steward, zijn manisch-depressieve klachten, zijn vrouw en zijn huisdieren. Hij publiceerde de afgelopen decennia meer dan een dozijn verhalenbundels. Zelf achtte Biesheuvel zich niet de meest voor de hand liggende P.C. Hooft-laureaat. “Ik ben maar een romantische randfiguur, die helemaal niet hoort in het middelpunt van de literaire aandacht.”
(afbeelding: Lia Laimbock, 1994)

In 1996 kreeg K. Schippers de P.C. Hooft-prijs voor beschouwend proza.
Uit het juryrapport: “Of Schippers nu een gedicht schrijft, een verhaal of een essay, alles wat hij doet is in feite beschouwelijk, in alles wat hij doet ontregelt hij de alledaagse waarneming”, schrijft de jury in haar rapport. “Onvermoeibaar laat zijn oog zich verrassen.” Schippers maakt, aldus het rapport, duidelijk dat er geen werkelijkheid is, maar dat er alleen gezichtspunten bestaan. Ook stelt hij belang in zaken die de meeste mensen ontgaan: een terloopse blik, een geur, een gebaar. “Hij heerst over het kleine en stille gebied van ijle bewegingen, gebeurtenissen die vervliegen voordat je ze hebt kunnen opmerken.”
K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter (Amsterdam, 6 november 1936), is dichter, prozaschrijver en essayist. Samen met J. Bernlef en G. Brands maakte hij van 1958 tot 1971 het tijdschrift Barbarber. Als dichter debuteerde hij in 1963 met De waarheid als de koe. In 1971 debuteerde hij als romanschrijver met Een avond in Amsterdam. Hij kreeg Libris Literatuurprijs, de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, de Multatuli-prijs, de Greshoff-prijs en de Pierre Bayle-prijs. Voor zijn boeken voor kinderen kreeg hij twee keer een Zilveren Griffel.
(afbeelding: Frits Marnix Woudstra, 1985)

In 1989 kreeg Jan Wolkers de P.C. Hooft-prijs 1989 voor verhalend proza toegekend, maar hij weigerde de prijs in ontvangst te nemen. Het was overigens niet de eerste keer dat hij een prijs weigerde: in 1961 verscheen Serpentina’s petticoat, zijn eerste verhalenbundel, waarvoor hij in 1963 de Novelleprijs van de gemeente Amsterdam kreeg, die hij in 1966 terugstuurde uit protest tegen het optreden van de politie tegen de provo´s tijdens het huwelijk van Beatrix en Claus. Ook weigerde hij de Constantijn Huygens-prijs die hem in 1982 werd toegekend voor zijn gehele oeuvre, uit protest tegen de slordige en rancuneuze besprekingen van zijn boeken. Om dezelfde reden weigerde hij de P.C. Hooft-prijs in ontvangst te nemen. Wel accepteerde hij in 1991 de Busken Huetprijs voor zijn essaybundel Tarzan in Arles. De doorbraak naar een groot publiek kwam met de roman Turks Fruit (1969).
Het werk van Jan Wolkers wordt in het juryrapport “bijzonder, indringend en opvallend” genoemd, door de aandacht die het altijd heeft getrokken en door de intrinsieke waarde ervan. Vooral wordt de hechtheid van het oeuvre geroemd, waarin steeds weer dezelfde thema´s terugkeren, die te maken hebben met zijn calvinistische achtergrond. “Zoals zijn stijl een combinatie is van directheid en van overdaad, van treffende beelden en vergelijkingen, zo weet hij zijn oeuvre tot een grootse metafoor van zijn leven te verheffen.” Het werk is veel complexer dan vaak wordt verondersteld en kan, volgens de jury, “door zijn betekenislagen en dubbele bodems op verschillende niveaus worden gelezen”. Geprezen worden ook zijn gevoel voor humor en zijn beeldende, suggestieve stijl.

In 1977 kreeg Remco Campert de P.C. Hooft-prijs voor poëzie.
Uit het juryrapport: “Het hele poëtische oeuvre van Remco Campert overziend, is de jury onder de indruk gekomen van de persoonlijke kroniek van de jaren 1950-1970 die erin is neergeschreven. De hachelijke en belachelijke feiten van deze levensperiode zijn door de dichter onvergetelijk geboekstaafd. ”
Campert heeft altijd schrijvend in zijn levensonderhoud voorzien. Hij schreef gedichten, verhalen, romans, reclameteksten, columns, scenario´s, vertalingen en journalistieke bijdragen aan verschillende tijdschriften en bladen. Hij was enige tijd redacteur bij de Bezige Bij. Jarenlang schreef hij in dagelijkse afwisseling met Jan Mulder een column voor de Volkskrant. Ook maakte hij theaterprogramma´s met Jan Mulder. Verschillende verhalen en novelles van Campert werden verfilmd. Campert ontving verschillende prijzen voor zijn werk: de Reina Prinsen Geerligsprijs, de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, De Jan Campert-prijs, de Anne Frankprijs, de Prozaprijs van de gemeente Amsterdam en de Cestodaprijs. Zijn werk werd vertaald in het Engels, Tsjechisch, Italiaans, Zweeds en het Bahasa Indonesia. In 2000 werd hem een koninklijke onderscheiding verleend, die hij weigerde.



bron: www.pchooftprijs.nl